De ei-brief
Across
- 2. Papa en mama waren ___ moe toen we aankwamen.
- 4. Hoi! ___ ze.
- 6. Daarnet moest ik eieren en ___ gaan kopen.
- 8. De meneer moest ___ lachen.
- 9. De ___ van de winkel begreep niet wat ik moest hebben.
- 11. Daarnet moest ik ___ en prei gaan kopen.
- 12. Op dit ___ vieren we vakantie.
Down
- 1. Daar kwam ik een aardig ___ tegen.
- 2. Nu neem ik ___ van jullie.
- 3. Toen deed ik een kip na. Ik deed net of ik een ___ legde.
- 5. Ze is iets ouder dan ik, maar wel de ___ van ons twee.
- 7. We hebben twee dagen moeten ___.
- 8. Ik ben de ___ van dit eiland.
- 10. In de winkel lagen ___ dingen, maar geen eieren.