vocabulary 3.3
Across
- 2. te veel berekenen
- 4. jongleren
- 8. nageslacht
- 13. bazig
- 15. geld verdienen met
- 17. afleiden
- 19. opluchting
- 20. geneesmiddel, remedie
- 21. enthousiast
- 22. narigheid
Down
- 1. hak(beweging)
- 3. kaneel
- 5. wetgever
- 6. beeldmateriaal
- 7. inhoud
- 9. loon
- 10. merk
- 11. opmerkelijk
- 12. niet stil kunnen zitten
- 14. overbrengen
- 16. sluw
- 18. aanwijzing