Unit 2 Vocab (Dutch - English) - 4 havo
Across
- 4. wijzigen
- 5. kennis (persoon)
- 6. aanbevelen
- 8. minder belangrijk
- 10. besmettelijk
- 13. ellende
- 15. omstandigheden
- 16. vertrekken
- 17. onlangs; de laatste tijd
- 18. gemiddeld
Down
- 1. verheugd
- 2. afgelegen
- 3. verscheidenheid
- 4. liefdevol
- 7. verminderen
- 9. onderzoeken
- 11. overdonderd
- 12. in de gaten houden
- 14. opmerkelijk