2A

1234567891011121314151617
Across
  1. 2. Ander stukje van de tweeling met een bril
  2. 4. Zij is de oudste van de hele klas
  3. 7. Zijn naam begint met een Y
  4. 8. Stukje van een tweeling die vaak groen aanheeft
  5. 12. Zij kan goed paardrijden
  6. 13. Zij heeft een mooie krullenbol
  7. 14. Een keigoede crosser
  8. 15. Zij heeft de langste haren van de klas
  9. 17. Hij was vroeger de buurman van onze school
Down
  1. 1. Het nieuwe gezicht van onze klas
  2. 3. Haar mama zat bij de juf in de klas
  3. 5. Haar tweelingzus zit in 2B
  4. 6. Zij kan haar naam omdraaien en dan leest ze ... haar naam
  5. 9. Ze is heel vaak goedgezind
  6. 10. Haar oma was vroeger de juf van het tweede
  7. 11. Juf Katrien dacht eerst dat ze Amber heette
  8. 12. Zijn opa is een beeldhouwer
  9. 14. Zij kan heel mooi tekenen
  10. 15. Klein, maar dapper
  11. 16. Hij heeft nog een zusje en een klein broertje