Begrippen H4

12345678910111213141516171819202122232425
Across
  1. 5. Een samenleving die drie belangrijke klassen kent: de ondernemersklasse, de middenklasse en de arbeidersklasse.
  2. 9. wet Een wet die de leef- en werkomstandigheden van mensen verbetert, bijvoorbeeld door kinderarbeid te verbieden.
  3. 10. Werk dat mensen thuis voor een ondernemer doen om wat extra geld te verdienen.
  4. 11. Politieke stroming die opkomt voor zoveel mogelijk vrijheid voor de burgers.
  5. 12. Politieke stroming die vindt dat er een eind moet komen aan de uitbuiting van arbeiders door ondernemers.
  6. 14. Gematigde stroming in het socialisme, die de werk- en leefomstandigheden van arbeiders wil verbeteren via wetgeving in het parlement, en niet door revolutie.
  7. 16. Aanhanger van het liberalisme.
  8. 18. Grote verandering in West-Europa door de komst van fabrieken en nieuwe vervoermiddelen aan het eind van de 18e en in de 19e eeuw.
  9. 21. Het in korte tijd ontstaan van grote steden, ten koste van het platteland. Ook verstedelijking genoemd.
  10. 22. Een democratie waarin niet de koning, maar een gekozen parlement de hoogste macht heeft.
  11. 23. Een vereniging van mensen met een bepaald beroep die opkomt voor de rechten van arbeiders en strijdt voor betere werkomstandigheden.
  12. 24. Het probleem van de armoede en de slechte woon- en werkomstandigheden van de arbeiders als gevolg van de industriƫle revolutie.
  13. 25. Alle wegen, spoorlijnen, waterwegen en andere verbindingen in een gebied.
Down
  1. 1. De opkomst van productie in fabrieken.
  2. 2. Recht om volksvertegenwoordigers te kiezen, bijvoorbeeld in het parlement of de gemeenteraad. Ook wel stemrecht genoemd.
  3. 3. Economisch systeem waarin ondernemers vooral winst maken met de productie van goederen, waarbij ze zo min mogelijk worden gehinderd door wetten en regels.
  4. 4. Volksvertegenwoordiging met wetgevende macht.
  5. 6. Een vereniging van mensen met dezelfde politieke opvattingen, die zoveel mogelijk stemmen wil krijgen om invloed op het bestuur uit te oefenen.
  6. 7. Met machines grote hoeveelheden van dezelfde producten maken.
  7. 8. Hulp geven aan mensen die dat nodig hebben, zonder dat je er zelf aan wilt verdienen.
  8. 13. tijd De periode vanaf 1800.
  9. 15. Een sociale groep in een industriƫle en kapitalistische samenleving, waarvan de leden ongeveer hetzelfde bezit en inkomen hebben.
  10. 17. Samenleving waarin industrie het belangrijkste middel van bestaan is.
  11. 19. Kiesrecht voor alle volwassen burgers van een land.
  12. 20. Bedrijf waar op grote schaal met machines producten worden gemaakt.