Begrippen hoofdstuk 1

12345678910111213141516171819202122
Across
  1. 2. Ruilen zonder behulp van geld is ..... ruil
  2. 4. De beloning voor het werk dat iemand doet
  3. 9. De vergoeding van een bank voor jouw spaargeld
  4. 11. Kosten voor levensonderhoud zijn ...... uitgaven
  5. 12. Geld is een ..... betaalmiddel
  6. 13. Een overzicht van je inkomsten en uitgaven voor komende maand
  7. 15. Uitgaven die je niet vaak doet zijn ..... uitgaven
  8. 18. Ruilen met behulp van geld is ..... ruil
  9. 20. Algemene OuderdomsWet
  10. 21. Munten en papiergeld zijn voorbeelden van ..... geld
  11. 22. Gebruikmaken van geld van anderen
Down
  1. 1. ..... zijn tastbaar
  2. 3. Er zijn drie .....: sparen voor een doel, sparen voor de rente en sparen uit voorzorg
  3. 4. Het niet uitgeven van een deel van je inkomen
  4. 5. Als je geld bewaart om er later iets mee te doen, gebruik je geld als .....
  5. 6. De Nederlandsche Bank
  6. 7. Regelmatig terugkerende uitgaven waar je aan vast zit, zijn vaste .....
  7. 8. De maandelijkse betalingen voor rente en aflossingen noem je .....
  8. 10. Een inkomen (of aanvulling daarop) dat je krijgt van de overheid
  9. 14. Geld kan worden gebruikt worden om aan te geven hoeveel iets waard is
  10. 16. Wanneer je geen loon krijgt, maar bijvoorbeeld eten, dan krijg je inkomen uit .....
  11. 17. ..... zijn niet tastbaar
  12. 19. Geld dat op de bank staat is ..... geld