blok 4

12345678910111213141516171819202122
Across
  1. 2. verpleegster
  2. 4. iemand die woont in een paleis
  3. 8. verft een huis
  4. 9. gebruikt de dokter
  5. 11. zoetigheid voor in de thee
  6. 12. weinig
  7. 15. gebruik je als je verkouden bent
  8. 16. niet goed
  9. 19. iemand die de baas is
  10. 20. niet voorover maar....
Down
  1. 1. bv.auto's, bus, trein
  2. 3. twee auto's komen tegen elkaar aan
  3. 5. iemand in het leger
  4. 6. 's morgens
  5. 7. steeds het zelfde doen, daar ben je aan gewend
  6. 10. netjes
  7. 12. doe je bij de supermarkt
  8. 13. iemand slaan
  9. 14. kind in de klas
  10. 17. geen alcohol drinken
  11. 18. moet je doen
  12. 21. dan ga je huilen
  13. 22. daar geeft een rechter straf aan een boef