Coronawoorden - Nederlands

12345678910111213141516171819202122232425262728
Across
  1. 2. = iemand die zich niet of niet langer houdt aan quarantaineregels.
  2. 8. een anderhalve meter afstand houden rond de persoon.
  3. 10. preteaching
  4. 12. = de schaamte omdat je iemand aangeraakt hebt terwijl je dat op grond van de anderhalve meter regel niet had mogen doen.
  5. 14. depressie de depressie wordt toegeschreven aan stressfactoren rond een corona-epidemie , de rigide maatregelen ter voorkoming daarvan en de maatschappelijke en economische gevolgen ervan
  6. 15. = inenting met een vaccin
  7. 18. = iemand die ernstig ziek geworden is als gevolg van een besmetting met het coronavirus, maar uiteindelijk genezen is.
  8. 21. = iemand die een stad of gebied waar een virusepidemie heerst ontvlucht, bv. naar een tweede huisje in een dunbevolkt gebied.
  9. 24. De overdracht van een ziekteverwekker, zoals een bacterie of virus, van een besmet individu op een ander.
  10. 25. = groet waarbij je op afstand van iemand blijft en in elk geval geen fysiek contact maakt.
  11. 26. het denigrerende benaming voor ouderen die kwetsbaar zijn voor gevolgen van een coronabesmetting
  12. 27. uitdrukkelijk niet de bedoeling dat je met iemand in contact komt
Down
  1. 1. = op grote schaal boodschappen inslaan, uit vrees voor toekomstige schaarste.
  2. 3. het beschermende masker dat mond, neus en ogen afdekt. Tegenover halfgelaatsmasker
  3. 4. = de super verspreider van een virus
  4. 5. = piek in het aantal coronagevallen.
  5. 6. afzondering om besmetting te voorkomen.
  6. 7. distancing = het mijden van openbare gelegenheden bv. tijdens een epidemie of pandemie ter voorkoming van ziekteverspreiding, en het afstand houden van anderen in het algemeen.
  7. 9. = houdbare levensmiddelen die je al heel lang in huis hebt in een maaltijd verwerken;
  8. 11. = verveling tijdens een lockdown, doordat je niet kunt uitgaan,..
  9. 12. = hond die getraind is op het herkennen van de specifieke geur van corona
  10. 13. = bang zijn om het virus te krijgen
  11. 16. = iemand die gestorven is aan een infectie met een coronavirus, COVID-19
  12. 17. noodmaatregel of noodtoestand waarbij een land of streek, stad of gebouw niet mag worden betreden of verlaten worden vanwege een gevaar of dreiging
  13. 18. = school diploma dat is behaald zonder dat daarvoor eindexamen is gedaan als gevolg van de coronacrisis.
  14. 19. kilo = de kilo die je aankomt in een lockdown periode (doordat je onvoldoende beweegt)
  15. 20. = virusangst
  16. 22. het gevoel dat iemand die niest zich schaamt voor zijn aanwezigheid in het gezelschap van anderen, die wel eens zouden kunnen denken dat hij/ zij een ziekte heeft waardoor hij anderen zou kunnen besmetten.
  17. 23. = geen virus dragend; waarin of waarop geen virus is aangetroffen.
  18. 28. = moeder die in tijden van quarantaine haar kinderen onderwijst.