David en Goliath

123456789101112
Across
  1. 1. De vader van David heette .............
  2. 4. De Israëlieten waren ............. voor Goliat.
  3. 5. David zei: 'De Heer heeft mij al vaak geholpen als ik aangevallen werd door leeuwen en beren. Hij zal mij nu ook ........... als ik vecht tegen die Filistijn.’
  4. 6. David zei tegen Goliat: 'Dan zal iedereen weten dat de Heer iemand zonder ............. kan laten winnen.'
  5. 7. David zei tegen Saul: ‘U moet niet bang zijn voor die Filistijn. Ik zal tegen die man gaan ...........’
  6. 8. Goliath was een ..........
  7. 10. Wie Goliat versloeg mocht met de ............ van Saul trouwen.
  8. 11. Een steen kwam tegen het ............ van Goliat.
  9. 12. David zei tegen iedereen: 'Denkt die ongelovige Filistijn misschien dat het leger van de levende ......... niets waard is?’
Down
  1. 2. David zocht vijf gladde ..........
  2. 3. David trok het ............. van Saul uit.
  3. 7. Goliats harnas woog ruim ............... kilo.
  4. 9. Eliab zei woedend: 'Moet jij niet op die paar ........... en geiten passen?'
  5. 10. Toen de Filistijnen zagen dat hun held .......... was, vluchtten ze weg.