Thema 1 themawoorden

1234567891011121314151617181920212223
Across
  1. 2. Iets wat moet, bijvoorbeeld fietsen op het fietspad.
  2. 3. Iets wat niet mag, bijvoorbeeld oversteken als het stoplicht op rood staat.
  3. 5. Een voertuig dat wordt getrokken door paarden.
  4. 7. Daarna.
  5. 10. Een auto die je gebruikt om spullen mee te vervoeren.
  6. 11. richting veranderen Een andere kant opgaan.
  7. 13. Iemand die op de weg rijdt of loopt.
  8. 15. Met een voertuig vervoer je mensen of dingen. Bijvoorbeeld een auto, een fiets of een brommer.
  9. 16. Langzaam rijden, je gaat niet veel harder dan iemand die loopt.
  10. 18. De plaats waar een weg zich in tweeën deelt.
  11. 20. Die krijg je van de politie als je je niet aan de verkeersregels houdt. Je moet dan als straf geld betalen.
  12. 21. Heel snel, bliksemsnel.
  13. 22. De plaats waar twee wegen bij elkaar komen in de vorm van een kruis.
Down
  1. 1. Een rond plein waarop een aantal wegen uitkomt.
  2. 4. Als je de auto in een hogere versnelling zet, dan laat je de motor harder werken. Je kunt dan harder rijden.
  3. 6. Toevallig ergens terecht komen.
  4. 8. De plaats waar je binnenkomt.
  5. 9. het vervolg Vanaf nu.
  6. 11. Afspraken die gelden in het verkeer.
  7. 12. Een vrachtwagen.
  8. 14. Maar.
  9. 17. de prak Als een auto of fiets kapot is door een aanrijding ligt hij in de prak.
  10. 19. Doordat.
  11. 23. aantocht zijn Als iemand in aantocht is, is hij onderweg. Hij komt er binnenkort aan.