de vakantie

12345678910111213141516171819
Across
  1. 3. Hier landen en vertrekken vliegtuigen.
  2. 7. Daar kun je mee vliegen in de lucht.
  3. 8. In Nederland krijg je dit 1 keer per jaar.
  4. 10. Een groot feest buiten waar veel mensen naar toe gaan.
  5. 13. Op bezoek gaan bij je familie.
  6. 14. Een park waar je veel dieren kunt bekijken.
  7. 15. Een park waar je spannende dingen kunt doen.
  8. 16. Zo noemen we de dag dat de koning jarig is.
  9. 18. Dit heb je wanneer het leuk is.
  10. 19. Een boerderij in een stad om te bezoeken.
Down
  1. 1. Van de ene naar de andere plaats gaan.
  2. 2. Een dag ergens naar toe gaan, zoals naar het strand.
  3. 4. Dingen die je kunt doen.
  4. 5. Een korte reis naar een stad.
  5. 6. Als je lekker gaat chillen.
  6. 8. Dat is tijd die je hebt als je niet naar school hoeft.
  7. 9. Wat je wilt gaan doen in de vakantie.
  8. 11. Dit doe je als je lang in bed blijft liggen.
  9. 12. Daar kun je van alles bekijken, zoals schilderijen.
  10. 17. Ergens naar toe gaan in je vrije tijd.