Definities en voorbeelden van beeldspraak en stijlfiguren

12345678910111213141516171819202122232425
Across
  1. 2. We spreken van een (…) als twee objecten of begrippen impliciet met elkaar vergeleken worden, d.w.z. dat de tekst géén schakelwoorden of analogiserende woorden bevat die de vergelijking expliciet maken.
  2. 4. We spreken van een (…) als een bepaald woord of een bepaalde reeks van woorden opzettelijk herhaald wordt aan het begin van twee of meer (meestal opeenvolgende) versregels, stroffen, zinnen, zinsdelen of alinea’s. Het is een specifieke vorm van herhaling
  3. 8. Een (…) is een nieuw woord, tot voorheen onbestaand.
  4. 9. Bij een (…) (<Grieks voor ‘samen waarnemen’) worden kenmerken van de ene zintuigelijke gewaarwording verbonden met die van een andere zintuigelijke gewaarwording, meestal op grond van een gevoelsovereenkomst. Bijvoorbeeld: “een warme kleur.”
  5. 11. De (…) fungeert als stijlfiguur indien men een of meer woorden of zinsdelen weglaat met de bedoeling een suggestief effect te bereiken. Dit zijn vaak werkwoorden. Bijvoorbeeld: “Eind goed, al goed.”
  6. 14. Een (…) is een stijlfout die bij opzettelijk gebruik een stijlfiguur kan worden. De meest voorkomende vorm is die van een substantief met een daarbij ten overvloede toegevoegd adjectief: een ‘ronde cirkel’. Logisch gezien is het pleonasme, evenals de tautologie, een vorm van woordovertolligheid. Er wordt een eigenschap die onlosmakelijk verbonden is met het genoemde, nog eens in een bepaling uitgedrukt, al dan niet bewust. Bijvoorbeeld: “het groene gras”.
  7. 15. Een (…) parallellisme is een vorm van herhaling waarbij twee zinnen of zinsdelen in syntactisch opzicht gelijk lopen.
  8. 19. Een chiasme is een syntactische stijlfiguur en wil zeggen dat de woordvolgorde in één of meer parallelle syntactische constructies worden omgedraaid. De parallelle syntactische constructies worden onder elkaar geschreven en zo ontstaat een X-vorm (vorm van letter ‘chi’ in het Grieks).
  9. 20. Dit is een vorm van metonymie. Deze stijlfiguur is gebaseerd op een associatie van het geheel met een deel. Bijvoorbeeld: “Brazilië wordt ongetwijfeld wereldkampioen.” [‘Brazilië slaat op de nationale voetbalploeg.]
  10. 22. Een (…) noemt een begrip tweemaal of meerdere malen, en bestaat doorgaans uit twee of meer woorden van dezelfde woordsoort. Bijvoorbeeld: “enkel en alleen”, “nooit ofte nimmer”.
  11. 23. De term (…) slaat op elk geval waarbij een zin, bijzijn of woordgroep grammaticaal onvoltooid blijft aan het einde van een versregel en de lezer de noodzaak voelt om voorbij het einde van de versregel door te lezen om de syntactische eenheid te voltooien.
  12. 24. Bij (…) wordt een ander zinsdeel dan een onderwerp voorop geplaatst om meer nadruk te geven in de zin.
  13. 25. We spreken van een (…) in het geval van een understatement of een uitdrukking die iets positiefs poneert door iets negatiefs te ontkennen. Bijvoorbeeld: “Onze Koning woont maar in een bescheiden optrekje.”
Down
  1. 1. Een (…) is een stijlfiguur waarbij een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord wordt verbonden met twee andere woorden, maar eigenlijk slechts op een van beide slaat, of op het een anders betrokken is dan op het ander. Het is eigenlijk een inhoudelijk verkeerde samentrekking. Bijvoorbeeld: “Zij droeg het hart hoog en bloemen in het haar.”
  2. 3. Een (…) is een directe aanspreking van een afwezig persoon of van een abstractie of niet-levend voorwerp, m.a.w. ze aangesprokene kan de aanspreking niet horen of beantwoorden. Deze stijlfiguur komt vaak voor in romantische poëzie.
  3. 5. Een (…) is een stijlfiguur waarbij tegengestelde begrippen of noties worden verbonden. Dit wordt gedaan om een bepaalde eigenschap te versterken of te benadrukken.
  4. 6. We spreken van een (…) wanneer eigenschappen van een menselijk subject worden overgedragen op een levenloos voorwerp of een abstractie.
  5. 7. Een (…) is een extreme overdrijving, vaak met een komische of ironische intentie, die de kracht van het gezegde wil verhogen.
  6. 10. Een (…) wordt ook wel een klanknabootsing genoemd. Deze kan verzonnen zijn, zolang het maar een woord is dat gebruikt wordt op een klanknabootsende manier, d.w.z. het vormt een imitatie van de klank die beschreven of geïmpliceerd wordt.
  7. 12. Dit is een vorm van metonymie. Deze stijlfiguur is gebaseerd op een associatie van een deel met het geheel. Bijvoorbeeld: “Vele handen maken licht werk.” [het lichaamsdeel ‘hand’ verwijst naar de volledige persoon die helpt bij het werk]
  8. 13. We spreken van een (…) als twee objecten of begrippen expliciet met elkaar vergeleken worden, d.w.z. dat er één of meer schakelwoorden of analogiserende woorden aanwezig zijn (‘als’, ‘alsof’, ‘zoals, ‘lijkt op’, …).
  9. 16. (…) is een stijlfiguur waarbij dat wat klaarblijkelijk gezegd of getoond wordt, afwijkt van dat wat bedoeld wordt. Zodoende is ironie veelal alleen herkenbaar voor de geoefende of ingewijde verstaander. Het is een stijlfiguur met verschillende vormen: omkering, overdrijving, understatement en ongepast woordgebruik.
  10. 17. (…) wordt ook wel “naamsverwisseling” genoemd. Het is een stijlfiguur waarbij datgene wat feitelijk bedoeld wordt (de referent), indirect wordt aangeduid met een nauw verbonden begrip (associatieve samenhang).
  11. 18. Een (…) is een uitspraak die op het eerste gezicht in tegenspraak lijkt met alle logica of de algemene opinie en net daardoor sterk de aandacht trekt. Bij nader inzicht blijkt de uitspraak een dieperliggende waarheid te bevatten die de schijnbaar tegengestelde elementen met elkaar verzoent. Dit wordt meer gebruikt voor grammaticaal uitgewerkte uitspraken die een werkwoord hanteren (i.p.v. op woordbasis zoals bij het oxymoron). Bijvoorbeeld: “Men moet sterven om te leven.”
  12. 21. We spreken van een (…) als twee termen of uitdrukkingen die elkaar op het eerste gezicht totaal uitsluiten of elkaars tegengestelde zijn niettemin rechtstreeks met elkaar gecombineerd worden. Het doorbreekt m.a.w. de semantische restrictieregels van normaal taalgebruik. Bijvoorbeeld: “een oorverdovende stilte.”