Dictee werkwoorden voorbereiding

1234567891011121314
Across
  1. 3. De bewaking (melden) gisteravond een inbraak.
  2. 5. De jongen heeft zijn vriendin netjes (thuisbrengen).
  3. 6. De bal is door de scheidsrechter op de stip (neerleggen).
  4. 9. Ik wist niet dat een koe zijn voedsel zo vaak (herkauwen).
  5. 11. De (verontrusten) moeder was ten einde raad.
  6. 12. Dat is maar goed want het soort wordt met uitsterven (bedreigen).
  7. 13. Het kind was bij de gorilla in het hok (belanden).
  8. 14. Hij heeft de bal goed (raken).
Down
  1. 1. Snel vloog de door de man (bevrijden) vogel weg.
  2. 2. De kunstenaar (verbeelden) het verhaal in een schilderij.
  3. 4. Het net geboren panda jong wordt goed (afschermen)
  4. 7. De jongen heeft heel adequaat (handelen)
  5. 8. De gids vertelde alles aan de door hem (begeleiden)groep
  6. 10. Het grote terrein was speciaal voor dit dier (aanleggen)