Dutch-English 01
Across
- 1. oorzaak
- 5. weg,mannier
- 6. regering
- 8. delen
- 10. welke
- 13. zijn
- 14. informatie
- 16. het Engels
- 18. weer
- 21. over
- 22. verplicht
- 24. stuurt, verzendt
- 25. oplossen
- 26. sleutel
Down
- 2. ondernemer
- 3. dieren
- 4. antwoord
- 5. met
- 7. de
- 9. emotie
- 11. eenvoudigste
- 12. samen
- 15. snel
- 17. gemiddeld
- 19. bouwen
- 20. gratis
- 23. makkelijk