ecologie

123456789101112131415161718192021222324252627282930
Across
  1. 2. ophoping, vaak gebruikt voor een schadelijke stof in voedselketens
  2. 3. gassoort die door hun aardopwarmingsvermogen in de atmosfeer bijdragen aan het verhogen en in stand houden van de evenwichtstemperatuur van de Aarde.
  3. 5. laatste stadium na successie, waarbij abiotische factoren en soortensamenstelling min of meer constant zijn De populaties zijn in evenwicht, de diversiteit is hoog en het ecosysteem is stabiel.
  4. 7. het verbouwen en daarna onderspitten van (vlinderbloemige) planten op grond die arm is aan nitraationen/mineralen,
  5. 9. min of meer begrensd gebied met bepaalde eigenschappen waarbinnen de abiotische en biotische factoren een eenheid vormen
  6. 11. de anorganische stof NO3-, wordt opgenomen door planten
  7. 14. concurrentie binnen de soort. (twee woorden aan elkaar)
  8. 21. woonplaats/plek in het ecosysteem van een organisme.
  9. 24. cyclische reeks van processen die koolstofatomen in en buiten organismen doorlopen
  10. 28. de invloed van de activiteiten van de mens die geen blijvende schade aanricht aan het milieu, zodat ook toekomstige generaties er gebruik van kunnen maken dit noem je ..heid
  11. 30. groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied die zich onderling voortplanten
Down
  1. 1. sterke toename van de hoeveelheid mineralen (o.a. fosfaat en nitraat) in oppervlaktewater, waardoor voedselrijk water ontstaat.
  2. 2. een anorganische verbinding van stikstof en waterstof met de molecuulformule NH3
  3. 3. toestand waarbij de grootte van elke populatie in een ecosysteem schommelt om een bepaalde waarde. (twee woorden aan elkaar)
  4. 4. optreden van zeer grote hoeveelheden wieren en cyanobacterien. Ditkan het gevolg zijn van kunstmatige of natuurlijke eutrofiering (overbemesting
  5. 6. organisme, dat andere organismen als voedselbron gebruikt. een heterotroof organisme, er kunnen verschillende ordes van bestaan
  6. 8. concurrentie proces waarbij individuen elkaar in hun bestaan nadelig beïnvloeden als gevolg van een gemeenschappelijke beperkende milieufactor. kan binnen de soort en tussen soorten optreden
  7. 10. bestreidingsmiddel/stof die niet of nauwelijks op natuurlijke wijze kan worden omgezet, blijft in de kringloop
  8. 12. ecosysteem dat als eerste ontstaat in een gebied, waar geen of vrijwel geen leven was
  9. 13. totale hoeveelheid energierijk materiaal in een organisme (meestal het drooggewicht genomen)
  10. 15. omzetten van een organische stikstofverbinding in onder andere ammoniumionen (procesnaam)
  11. 16. het gemiddeld aantal individuen per oppervlakte-eenheid
  12. 17. stikstofbindende bacterie in de wortelknolletjes van vooral vlinderbloemige planten
  13. 18. organisme in staat tot chemosynthese. Een organisme dat alleen koolstofdioxide nodig heeft als koolstofbron en zijn energie verkrijgt door oxidatie van anorganische stoffen (uitsluitend een aantal bacteriesoorten).
  14. 19. planten of autotrofe bacterie - organisme dat organische stoffen uitsluitend uit anorganische stoffen produceert met behulp van energie uit de levenloze natuur
  15. 20. de anorganische stof NO2-
  16. 22. Maximale grootte van een populatie die een ecosysteem kan , ook: Maximale beïnvloeding van een ecosysteem door invloeden van buitenaf waarbij een ecosysteem zich nog kan handhaven.
  17. 23. geheel van voedselrelaties binnen een levensgemeenschap geeft het verband aan tussen wie wie eet.
  18. 25. bacterien en schimmels; breken organische stoffen af tot anorganische stoffen (mineralen). belangrijke groep in de kringloop
  19. 26. het doden en als voedsel gebruiken van dieren
  20. 27. bestaat vooral uit stikstofhoudende mineralen en fosfaat, chemisch gemaakte mix van mineralen voor planten
  21. 29. individuen die wegtrekken uit een populatie/gebied