Economie begrippen hoofdstuk 1.

123456789101112
Across
  1. 3. Dit is de reden dat je spaart. Er zijn er drie van: voor een doel, voor de rente, uit voorzorg.
  2. 6. Gewone uitgaven voor boodschappen die je betaalt met het huishoudgeld.
  3. 8. Geld gebruiken waar je zelf niet over beschikt.
  4. 9. Een vergoeding over je spaargeld door de bank. Geld dat je moet betalen aan de bank als je geld geleend hebt.
  5. 10. Het niet uitgeven, maar bewaren van een deel van je inkomsten
  6. 12. Een overzicht van de uitgaven die je nog moet doen en de inkomsten die je nog moet krijgen.
Down
  1. 1. Ruilen met geld als ruilmiddel.
  2. 2. Uitgaven voor het huishouden en de kosten die regelmatig terugkeren.
  3. 4. Uitgaven die je niet zo vaak, of waar je voor moet sparen.
  4. 5. Ruilen van goederen tegen goederen (of diensten)zonder gebruik te maken van geld.
  5. 7. Een inkomen betaald door de overheid. Dit geldt voor bepaalde situaties, bijvoorbeeld als je oud bent of langdurig ziek bent.
  6. 11. Het geld dat binnenkomt voor je huishouden.