Eenheid 10, les 1 + 2

123456789
Across
  1. 2. Heen en weer zwaaien. Slingeren.
  2. 4. Zoet gebak.
  3. 6. Een groente. Het zijn kleine groene kooltjes.
  4. 7. Als je iets kunt schenken. Bijv. water, olie of limonade.
  5. 9. Als iemand alleen maar aan zichzelf denkt.
Down
  1. 1. Spul waardoor je pijn minder voelt. Je wordt er suf van of valt in slaap.
  2. 3. Narigheid.
  3. 5. Minder hoeven te betalen dan normaal omdat het uitverkoop is.
  4. 8. Als je het goed kunt lezen.