eenheid 4 les 11

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950515253545556575859
Across
  1. 5. Een bosje gras met aarde eraan
  2. 6. Een toeter van een auto
  3. 7. Een soort spriet die zorgt dat de radio in de auto geluid krijgt
  4. 10. Een apparaat, het helpt mensen
  5. 11. Een voorstelling geven voor publiek dansen, zingen of toneel spelen
  6. 13. Een deur van een auto
  7. 15. Een stuk land met fruitbomen
  8. 21. De auto ergens neerzetten
  9. 23. Een soort borstel op het ruit van een auto om het ruit schoon te maken als het regent
  10. 25. Een stevige rand aan een auto
  11. 26. Werkelijkheid worden
  12. 32. Omdat je het zelf wil
  13. 35. Een lage plant met paarse of witte bloemen
  14. 36. Spullen zo neerleggen dat iedereen ze kan zien
  15. 37. Iemand een opdracht geven en hij moet het echt doen
  16. 41. Beroemd over de hele wereld
  17. 42. Naar iemand toe
  18. 43. Een stukje papier om mee te betalen
  19. 46. Een briefje, je schrijft erop wat je graag wil hebben
  20. 47. Een steen waar vuur vanaf kan springen
  21. 49. Een stukje vuur
  22. 50. Een hoeveelheid geld
  23. 51. Een plant met witte bloemen die lijken wel grote madeliefjes
  24. 52. Een stuk land waar graan of groente op groeit
  25. 55. Is als een kind wordt geboren
  26. 56. De verf
  27. 57. Een soort spoorweg met veel bochten hij gaat omhoog en omlaag, je gaat erin voor de pret
  28. 59. Als een vrouw een kindje in haar buik heeft
Down
  1. 1. Een rond ding in het midden van een wiel
  2. 2. Een stengel van gras of graan, een spriet
  3. 3. Met een toeter geluid maken
  4. 4. Een klein groen plantje
  5. 8. Hoe een stuk land eruit ziet. Bos, weiland, bergen.
  6. 9. Een verhoogd stuk vloer
  7. 12. Veel geld of veel dure spullen
  8. 14. Vrienden of vriendinnen zijn
  9. 16. Stukken steen van een muur die afgebroken is
  10. 17. Een soort grote speeltuin
  11. 18. Tegen elkaar slaan
  12. 19. Een meisje dat bij andere mensen in huis werkt, ze krijgt er geld voor
  13. 20. Schoonmaken en laten glanzen
  14. 22. Een lamp aan de voorkant van een auto
  15. 24. Licht geven
  16. 27. Blij
  17. 28. Een stuk grasland voor koeien of voor paarden of voor schapen
  18. 29. Hard en onvoorzichtig rijden
  19. 30. Je geld ergens aan uitgeven
  20. 31. Veel weten
  21. 33. Als een vrouw een kindje in haar buik heeft
  22. 34. Een klein plantje met witte bloemetjes met een geel hartje
  23. 38. Een kleine gele bloem
  24. 39. Als iets minder geld kost dan normaal
  25. 40. Mooi zijn
  26. 44. Met draad versieren, je gebruikt een naald
  27. 45. Een ring van bloemen
  28. 48. Een hard en sterke stof bijvoorbeeld ijzer en koper
  29. 51. Een soort deksel, de motor van de auto zit eronder
  30. 53. De kant van een weg, er groeit vaak gras
  31. 54. Voorbij gaan
  32. 58. Je bui, als je in een goede humeur bent, ben je vrolijk