Examenwoorden

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172
Across
  1. 2. vermaken, aangenaam bezighouden
  2. 3. met een woord naar een ander woord of andere zin in de tekst wijzen
  3. 6. het belangrijkste doel
  4. 10. iets zeggen over wat er gaat gebeuren
  5. 11. bewering, een zin waarin een mening staat
  6. 12. uitleggen
  7. 14. tot handelen aanzetten / aansporen om iets te doen
  8. 16. duidelijk zijn
  9. 20. samenhang
  10. 22. precies beschrijven
  11. 24. iemand ergens op wijzen
  12. 25. duidelijker maken door meer details te geven
  13. 26. voorbedrukt papier met vragen en invulruimte
  14. 29. hoe je een tekst over een bladzijde verdeelt
  15. 31. noemen
  16. 38. bewijzen dat een bewering niet juist is
  17. 39. raad
  18. 40. een geheel vormen
  19. 41. letterlijk herhalen wat iemand heeft gezegd
  20. 48. hetzelfde zijn
  21. 49. mening
  22. 50. gelet op
  23. 51. reden om iets te gaan doen
  24. 53. afbeelding, plaatje
  25. 55. laten zien, bewijzen
  26. 56. niet letterlijk, maar bij wijze van spreken
  27. 58. hoe iets (een tekst) in elkaar zit
  28. 60. mensen of dingen die elkaars tegenovergestelde zijn
  29. 62. afzwakken, minder belangrijk maken
  30. 64. mening
  31. 65. leuk kort verhaal
  32. 66. waarvoor iets dient
  33. 68. nauwkeurig lezen
  34. 69. het eerste deel van een tekst
  35. 70. onderzoek door ondervraging van een groot aantal mensen
  36. 71. manier waarop je een doel bereikt
  37. 72. informatie krijgen of informatie geven
Down
  1. 1. reclame of oproep in een krant, tijdschrift of website
  2. 4. waarmee iets begint
  3. 5. belangrijkste
  4. 7. precies zoals het is gezegd of geschreven
  5. 8. een soort bewijs waarmee je laat zien dat je gelijk hebt
  6. 9. titel in een tekst boven een of meer alinea’s
  7. 13. gedachten en gevoelens onder woorden brengen
  8. 15. wat je van iets vindt
  9. 17. in grote lijnen, ongeveer
  10. 18. deel van een zin
  11. 19. kopje titel in een tekst boven een of meer alinea’s
  12. 21. voorbeeld van hoe een brief eruit kan zien
  13. 23. laten zien of horen
  14. 27. informatie waarmee je iets uitlegt of duidelijk maakt
  15. 28. overtuigen iemand laten inzien dat iets zo is
  16. 30. onderwerp
  17. 32. affiche, aanplakbiljet
  18. 33. de belangrijkste dingen (van een tekst) in het kort weergeven
  19. 34. een deel ergens van, bijvoorbeeld van een televisieprogramma
  20. 35. hebben op te maken hebben met
  21. 36. een zin die duidelijk maakt waar de tekst over gaat
  22. 37. diepgaand, nauwkeurig, heel precies
  23. 42. overhalen iemand tot handelen aanzetten
  24. 43. een aantal zinnen over hetzelfde onderwerp; een alinea begint altijd op een nieuwe regel
  25. 44. middel waar het (in een tekst) over gaat
  26. 45. wat je wilt bereiken
  27. 46. eindoordeel
  28. 47. iets waarvan je zeker weet dat het waar is, iets wat je kunt bewijzen
  29. 49. de manier waarop woorden en zinnen bij elkaar horen
  30. 52. enkele woorden in een zin die bij elkaar horen
  31. 54. kennis die je nodig hebt
  32. 57. feit dat bekend is
  33. 59. uitspraak, een zin waarin een mening staat
  34. 61. lijst met gegevens
  35. 63. poster, aanplakbiljet
  36. 67. het belangrijkste deel, waar het om gaat