Grieken en Romeinen

123456789101112131415161718
Across
  1. 2. Leider van alle christenen.
  2. 3. Volkeren die leefden ten noorden van de Rijn, de grens van het Romeinse Rijk, woonde.
  3. 4. De god van de zee.
  4. 5. De achternaam van een zeer machtige generaal van het Romeinse Rijk.
  5. 7. Iedereen mag voor of tegen een plan stemmen. De meeste stemmen gelden. Dit is een....... democratie.
  6. 9. De hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk.
  7. 11. Iedereen mag de mensen kiezen die het land gaan besturen. Dit noemen we een ....... democratie.
  8. 12. Het grootste theater stond in Rome.
  9. 13. Een land dat niet groter is dan een stad.
  10. 15. Het Romeinse Rijk was een republiek. De leiders werden elk jaar gekozen. Maar aan de verkiezingen mochten lang niet alle mensen meedoen.
  11. 17. De kunst en gewoonten van een volk.
  12. 18. Gebied van een Griekse stadstaat buiten Griekenland.
Down
  1. 1. Een rijke Romein woonde in een grote ...... (huis)
  2. 2. Het staatshoofd van een republiek. Vaak leidt hij de regering.
  3. 6. De opvolger van Caesar.
  4. 8. Iedereen mag meebeslissen over het bestuur.
  5. 9. Volgelingen van Jezus Christus. Christenen geloven, net als joden en moslims, in één god.
  6. 10. Zo heette de Oppergod voor de Grieken.
  7. 14. Vergadering waarin alle belangrijke beslissingen werden genomen over het bestuur van het Romeinse Rijk. In de senaat zaten rijke, oude mannen.
  8. 16. Leider van christenen in een bepaald gebied.