groep 4 thema 7. Een worteltje?
Across
- 3. Een snoepje op een stokje waar je aan kunt likken.
- 4. Dit eet je na het hoofdgerecht. Iets lekkers om de maaltijd te eindigen. Vaak fruit of pudding of ijs.
- 5. Een manier om eten klaar te maken ofwel in een pan met hete olie of boter of wel in de oven.
- 7. Dit zeg je voordat iemand begint met eten, hierdoor wens je dat hij het eten lekker zal vinden.
- 9. Het betekent ofwel een warme maaltijd klaarmaken ofwel een vloeistof zo warm maken dat er luchtbellen naar boven komen.
Down
- 1. Het is zoet en plakkerig, het lijkt op stroop. Je kunt het op brood smeren. Het wordt gemaakt door bijen.
- 2. Als je dingen gaat open die je nodig hebt, dan ga je ................doen.
- 5. Iets boven een vuurtje klaar maken.
- 6. Een zoete vrucht met veel pitjes erin.
- 7. Iets ergens over uitstrijken. Je kunt boter op je boterham..................... Of zalf op je gezicht ...................
- 8. Hier betaal je de dingen die je koopt in een winkel. Een ding met knopjes en een la waar geld in zit.
- 9. Dit gebruik je om je boodschappen in te doen in de supermarkt. Als je je spullen daarin legt, hoef je ze niet te dragen. Het heeft wielen.