HC Lage Landen

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950515253545556575859606162636465666768697071727374
Across
  1. 1. Het geheel van stromingen en kerken die zijn ontstaan uit protest tegen misstanden in de katholieke kerk.
  2. 5. Alleenrecht om in een bepaald gebied of in een bepaald product handel te drijven.
  3. 8. Vergadering van vertegenwoordigers van de Gewestelijke Staten.
  4. 9. Samenleving waarin productie en handel ten dienste staan van het winnen van een oorlog of conflict.
  5. 10. Het streven van vorsten hun macht te vergroten én vanuit één punt te besturen en in het hele grondgebied gelijke wetten en belastingen in te voeren. Zij hadden daartoe de beschikking over een ambtenarenapparaat en beroepslegers. Godsdienstige eenheid verkregen de vorsten door de Kerk geheel of voor een groot deel onder hun toezicht te stellen.
  6. 11. Een vereniging van mensen met hetzelfde beroep (meestal handelaren of ambachtslieden) die de gezamenlijke belangen behartigt.
  7. 12. In 1602 opgerichte handelsonderneming die van de Staten-Generaal een monopolie (alleenrecht) kreeg op de handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop en staatsrechtelijke bevoegdheden in die gebieden.
  8. 13. Huis buiten de stad.
  9. 17. Kerkhervorming die uiteindelijk leidde tot een scheuring in de christelijke kerk en het ontstaan van het protestantisme.
  10. 18. Het streven naar behoud van privileges.
  11. 23. (Het toepassen van) uitvindingen en nieuwe inzichten op allerlei gebied; nieuwe technologieën in landbouw, nijverheid en scheepsbouw en bij de aanleg van (water)wegen, havens en steden.
  12. 26. Groot rijk in Midden-Europa dat als een voortzetting werd gezien van het West-Romeinse rijk en waarin het hoogste kerkelijke gezag door Rome werd uitgeoefend.
  13. 27. Aanvankelijk een herberg voor reizigers, later voornamelijk een ziekenhuis.
  14. 31. Een samenleving waarin veel mensen op het platteland wonen en van de landbouw leven, maar waarin ook steden bestaan als centra van bestuur, handel en nijverheid.
  15. 34. Statenbond.
  16. 37. Hoogste ambtenaar van een gewest, voorzitter van de Statenvergadering.
  17. 39. Aanvankelijk (in de Spaanse tijd) plaatsvervanger van de landsheer in een gewest, later opperbevelhebber van het leger van de Republiek.
  18. 40. Plaatsvervanger van de landsheer in de Nederlanden.
  19. 42. Deels spontane, deels georganiseerde acties van calvinisten om de katholieke kerken te zuiveren van wat volgens hen ‘afgoderij’ of ‘bijgeloof’ was (zoals heiligenbeelden, schilderijen, altaren) in 1566, zodat die kerken konden worden gebruikt voor calvinistische kerkdiensten.
  20. 44. Toename van bestuur door een kleine groep rijke mensen.
  21. 46. Grote Europese oorlog tussen katholieken en protestanten, die zich afspeelde in Oostenrijk, Duitsland en de Zuidelijke Nederlanden (1618-1648).
  22. 47. Een samenwerkingsverband van handelssteden in het noorden van Europa (de Nederlanden, Duitsland en Scandinavië).
  23. 48. Een periode van economische en culturele bloei in de Republiek, tijdens de 17e eeuw (beter: laatste kwart 16e eeuw tot laatste kwart 17e eeuw).
  24. 49. Het armere deel van de bevolking in een Middeleeuwse stad, dat bestond uit onder meer ambachtslieden en arbeiders.
  25. 50. Kerkelijke verniewingsbeweging, gesticht door Geert Groote (1340-1384), die haar ideaal van praktische levenswijsheid buiten de bestaande kloosterorden vorm wilde geven. Dit resulteerde in de stichting van de gemeenschappen van de Broeders en Zusters des Gemenen Levens.
  26. 51. De belangrijkste groep bewoners van een stad, de mensen die het burgerrecht hebben.
  27. 56. Een manier om een graanakker zo nuttig mogelijk te gebruiken, door in één jaar een derde van het land in de herfst in te zaaien, een derde van het land in de lente en een derde van het land braak te laten liggen.
  28. 57. Een gebouw midden in de stad om gereglementeerd te kunnen handelen, met een grote open ruimte om goederen te kunnen tonen. En met beschutting tegen het weer om afspraken schriftelijk te kunnen afhandelen.
  29. 58. Stroming binnen het christendom die is gebaseerd op de ideeën van de hervormer Johannes Calvijn.
  30. 59. Een staat waarvan het staatshoofd niet door erfopvolging wordt aangewezen, maar op een of andere manier wordt verkozen.
  31. 60. Vergadering van de vertegenwoordigers van de standen (geestelijkheid, adel en burgerij) in een gewest.
  32. 62. Onderneming van handelaren die investeringen, risico’s en winsten met elkaar delen.
  33. 64. Besluit van de Staten-Generaal, waarin de trouw aan Filips II als wettig vorst werd opgezegd (1581). Volgens dit Plakkaat hebben onderdanen het recht een andere vorst te kiezen als hun vorst zich als een tiran gedraagt.
  34. 66. Document waarin de privileges van een stad en haar inwoners zijn vastgelegd (vaak: eigen bestuur en rechtspraak).
  35. 67. Alleenstaande vrouw die met andere vrouwen samenwoont en leeft als lekenzuster (wijdde haar leven aan het geloof zonder tot een kloosterorde te behoren).
  36. 68. De vrijheid om te denken en te geloven wat men wil. Maar niet de vrijheid om dat te tonen en in praktijk te brengen.
  37. 69. Woningcomplex van begijnen (vrouwen in een katholieke lekengemeenschap).
  38. 70. Adellijke of kerkelijke grootgrondbezitters van graafschappen die zich onafhankelijk opstelden ten opzichte van hun leenheer.
  39. 71. Zelfstandige staatjes bestaande uit een stad met omgeving, rijk geworden door handel en nijverheid (waaronder Florence, Genua en Venetië).
  40. 72. Een bemalen gebied (polder) dat oorspronkelijk een meer, een ander groot open water of drasland was.
  41. 73. Stadsuitbreiding door een aaneenschakeling van grachten, straten en bruggen. Langs de grachten werden statige woonhuizen gebouwd.
  42. 74. Stroming binnen het christendom die is gebaseerd op de ideeën van hervormer Maarten Luther.
Down
  1. 2. Bestuursvorm waarbij een kleine groep rijke mensen het bestuur in handen heeft.
  2. 3. Het gebied rondom een stad, waarvoor die stad een economische functie heeft.
  3. 4. Proces waarbij mensen de leefwijze van edelen nabootsen.
  4. 6. Een samenleving waarin het overgrote deel van de mensen op het platteland woont en leeft van de landbouw. Ook: agrarische samenleving.
  5. 7. Confederatie van de gewesten Friesland, Groningen, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Holland en Zeeland.
  6. 14. De bedrijvigheid waarbij grondstoffen worden verwerkt.
  7. 15. Een wollen stof van hoge kwaliteit, die onder meer werd gebruikt bij het maken van kleding.
  8. 16. Markt in een middeleeuwse stad waarop kooplieden uit de omgeving en uit het buitenland gedurende een bepaald aantal dagen onder bescherming van de overheid met elkaar handel konden drijven.
  9. 19. Bovenste laag van de bevolking, die in de steden de macht in handen had.
  10. 20. Bedelorde die zich in de steden bezighield met pastorale zorg en onderwijs.
  11. 21. Het met de hand maken van producten en goederen. Denk aan bijvoorbeeld een goudsmid.
  12. 22. Document met daarop een geldbedrag dat elders opgeëist kan worden of als betaalmiddel kan dienen.
  13. 24. Periode 1650-1672 in de Republiek.
  14. 25. Een religieuze orde van monniken of nonnen die geen bezittingen hebben en die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van liefdadigheid.
  15. 28. Een plaats waar producten uit de hele wereld naartoe worden gebracht, om vanaf daar weer te worden doorverkocht (vaak: in afwachting van tekorten en hogere prijzen elders).
  16. 29. Vrede waarbij in 1648 een einde kwam aan de Tachtigjarige Oorlog. De Republiek werd daarbij internationaal als een onafhankelijke staat erkend.
  17. 30. Gebied in het huidige Nederland, België en Luxemburg, in de Middeleeuwen onder heerschappij van de Bourgondiërs en in de vroegmoderne Tijd van de Habsburgers. In het noordelijke deel ontstond de Republiek.
  18. 32. Het jaar 1672, waarin de Republiek van drie kanten werd aangevallen: door Frankrijk, door Engeland en door twee Duitse vorstendommen.
  19. 33. Behorend tot de partij die in de Republiek de stadhouders uit het huis van Oranje steunde (ook wel: prinsgezinden).
  20. 35. Behorend tot de partij die de gewestelijke staten in de Republiek als soeverein beschouwde en die zich verzette tegen een al te grote macht van de stadhouder.
  21. 36. Stadsgemeenschap waarin burgers en stadsbestuur zich samen verantwoordelijk voelen voor welvaart en welzijn / het algemeen belang. Dit hield in dat steden zelf wilden zorgen voor sociale voorzieningen voor bijvoorbeeld armen en zieken.
  22. 38. Voorrechten van een stad, gewest of groep mensen (bijvoorbeeld op het gebied van belastingen, rechtspraak en geldzaken).
  23. 41. Bescherming van handel en nijverheid door de staat.
  24. 43. Regeringsvorm waarbij de vorst alle macht in handen heeft. De vorst beriep zich daarbij op het ‘Droit Divin’.
  25. 45. Bewoner van een middeleeuwse stad, die stadsrechten heeft.
  26. 52. Belangrijkste stedelijke instituut dat de handel in Amsterdam vergemakkelijkte, opgericht in 1611. Men kon er niet alleen handelswaren kopen, maar bijvoorbeeld ook verzekeringen of leningen afsluiten, scheepsruimte of pakhuizen huren, personeel in dienst nemen. Bovendien was de Beurs, doordat er honderden kooplieden uit veel landen samenkwamen, een informatiecentrum over goederenprijzen en verzekeringspremies.
  27. 53. Veldslag op 11 juli 1302 bij Kortrijk tussen de koning van Frankrijk en de graaf van Vlaanderen. Beiden maakten gebruik van een conflict tussen het patriciaat en het gemeen in de steden. Tegen alle verwachtingen in wonnen de ambachtslieden en boeren deze strijd.
  28. 54. Economische theorie die ervan uitging dat ieder land een zo groot mogelijk deel van de wereldeconomie moest bemachtigen en daarom protectionistische maatregelen als staatsmonopolies en invoerrechten bevorderde.
  29. 55. Geldeconomie.
  30. 61. Aangewezen of gekozen bestuurder in een stad.
  31. 63. Zeer rijke families uit de gegoede burgerij. Zij verdeelden in de Republiek de hoge bestuursfuncties onder elkaar. Zij bestuurden steden en gewesten en hadden zitting in de Staten-Generaal.
  32. 65. Aanhangers van opvattingen die tegen de leer van de katholieke Kerk ingingen. Zij werden door de katholieke Kerk hard aangepakt.