Herhaling woordenschat
Across
- 1. Ik ben ???. Ik ga naar bed.
- 3. Ze is niet intelligent, ze is ???.
- 6. Jan is ???en heeft twee kinderen.
- 7. De slager verkoopt ???.
- 9. De lucht is ???: het gaat regenen.
- 12. In de badkamer zijn er twee ??? : één voor het koude en één voor het warme water.
- 13. Ik ga graag op ??? bij de buren.
- 14. Hij heeft zijn appartement verkocht op een huis te kunnen ???.
- 17. Goed ??? voor gebruik.
- 19. De auto ??? in de garage.
- 20. Ik ga elke dag met de ??? naar het werk.
Down
- 1. Ze gaf me een kus op de ???.
- 2. Mag ik u ??? aan Joyce De Veen?
- 4. Ze heeft mooie blauwe ???.
- 5. De maand ??? is zeer kort.
- 8. Bij de kapper hangen er overal ??? aan de muren.
- 10. Ik luister elke ochtend naar het ??? op de radio.
- 11. Hij neemt elke dag de ??? naar zijn werk.
- 15. De broer van je vader is je ???.
- 16. Is Marijke ??? ? Neen, ze is weg.
- 18. Hoe ??? is het? Het is tien uur.
- 20. In april is het ’s morgens nog ???.