Hoofdstuk 1 en 2
Across
- 3. Munten en briefjes noemen we ... geld.
- 4. geld moet makkelijk mee te nemen zijn. Een eis is dus dat het ... moet zijn.
- 8. Geld kennen we als ruilmiddel, spaarmiddel en ...
- 10. Iedereen binnen een bedrijf heeft zijn/haar eigen taak.
- 11. We hebben beperkte middelen voor onze behoeften.
- 13. De waarde van het materiaal waarvan geld is gemaakt is de ... waarde.
- 14. Hiermee kun je verschillende waardes met elkaar vergelijken.
- 16. Mensen nemen massaal hun geld op bij de bank.
- 17. Drie soorten arbeidsdeling: interne, externe en ...
- 20. Tim gaat voetballen en kan op dat moment niet werken. Hij heeft te maken met ...
- 23. In een tabel van boven naar beneden noem je een ....
- 24. Budgetlijn is steiler geworden. Prijs van product A is niet veranderd. Product B is dus .... geworden.
- 25. Een 1 met 9 nullen.
Down
- 1. Deel gedeeld door geheel x 100% = ....
- 2. Kosten die steeds hetzelfde zijn en periodiek terugkomen zijn ...
- 5. Deze heb je nodig om in je behoeften te voorzien.
- 6. Er wordt geruild als wederzijds voordeel > .....
- 7. Goederen voor goederen is .... ruil.
- 9. Het aantal producten per werknemer in een bepaalde periode.
- 12. Oude prijs €2,00. Nieuwe prijs is €2,10. Wat is de toename in procenten?
- 15. Dit instituut verzorgt budgetvoorlichting.
- 16. Zo noem je wensen ook wel.
- 18. Economie waarin iedereen zelfvoorzienend is.
- 19. Nina kan met haar budget 6 marsen kopen of 4 suikerspinnen. Een mars kost 2 euro. Hoeveel euro kost een suikerspin?
- 21. 1:4
- 22. Het totaal van de getallen gedeeld door het aantal getallen.
- 26. Als het budget toeneemt, schuift de budgetlijn naar ...