Ik oefen mijn doelwoorden
Across
- 1. Dat is een medicijn dat ze in je lichaam spuiten.
- 2. Dat is iemand die de post rondbrengt naar de huizen.
- 7. Dat is een blad waar je de maanden en dagen kunt op aflezen.
- 9. Dat is heel hard stoppen.
- 11. Dat is het kantoor waar de post aankomt.
- 13. Dat is een veld vol met gras.
- 15. Dat is een kindje dat naar school gaat.
- 16. is naar een andere plaats gaan.
- 17. Dat is prutsen, morsen.
- 19. Dat is de andere kant van de straat
- 20. Dat is over een straat wandelen, van de ene naar de andere kant.
- 21. Dat is plooien.
- 22. Dat is een voertuig op 2 wielen
- 26. Dat is de baas van een stad
- 28. Dat is het geluid dat je hoort wanneer het erg onweert.
- 31. Dat is een jas die je draagt wanneer het regent.
- 33. Dat is iemand die te voet wandelt.
- 35. Dat is een klever.
- 36. Dat is mager zijn.
- 37. Dat is een persoon die je haren knipt.
- 38. Dat is heel erg moe zijn.
- 40. Dat is vals haar.
- 41. Dat is iemand die boeken schrijft.
- 43. Dat is een man.
Down
- 1. Dat is het zand aan de zee.
- 3. Dat is helemaal onderaan.
- 4. Dat is een mengsel van aarde en water.
- 5. Dat is even rusten
- 6. Dat zijn 2 broers of zussen die op dezelfde dag geboren zijn.
- 8. Dat is wanneer je zegt dat iets goed is.
- 10. Dat is een pot waar je je geld in steekt om te sparen.
- 11. Dat is iemand die werkt bij de politie.
- 12. Dat is iets dat je wil winnen.
- 14. Dat is iets doorstrepen.
- 18. Dat is draaien in het rond.
- 23. Dat is een bank onder een venster.
- 24. Dat is een dik stuk kledij rond je nek.
- 25. Dat is pijn hebben aan jouw hoofd.
- 26. Dat is een plaats waar je boeken kan lenen.
- 27. Dat is iets op en neer, heen en weer bewegen.
- 29. Dat is wanneer je al ergens naartoe aan het wandelen bent.
- 30. Dat is een dief.
- 32. Dat is een boot zonder motor, waarbij je zelf moet roeien.
- 34. Dat is een grapje.
- 39. Dat is wanneer 2 auto’s tegen elkaar botsen.
- 40. Dat is pesten, uitschelden
- 42. Dat is wanneer iets heel ergs gebeurd is.