Juni

12345678910111213
Across
  1. 2. Juni is de ... maand van het jaar.
  2. 4. De ... komt later voor dan de meikever, maar is wel familie.
  3. 7. Juni wordt ook wel de ... maand genoemd.
  4. 8. De maand juni heeft ... dagen.
  5. 11. Juni is de eerste maand van de ... zomer.
  6. 12. De sterrenbeelden van deze maand zijn ... en Kreeft.
  7. 13. Dit seizoen start in juni.
Down
  1. 1. Juni vochtig en warm, dan maakt ze de ... niet arm.
  2. 2. is er in juni pas ..., dan wordt de zomer klein maar fijn.
  3. 3. Tijdens de maand juni kennen we de ... dagen van het jaar.
  4. 5. Juni is genoemd naar de ... godin 'Juno'.
  5. 6. Een boon in juni ..., geeft vijftig in een hand.
  6. 9. Juni met veel ..., brengt de oogst ten onder.
  7. 10. Waait in juni de noordenwind over het land, dan krijgt de boer veel ... in z`n hand.