leenwoorden met c/ y/ x/ th
Across
- 1. Het ..... van het feest was 'Disney', dus ik ging verkleed als Mickey Mouse.
- 4. De clowns en de acrobaten treden vanavond op in het .....
- 6. Tijdens de vakantie zwommen we in de Atlantische .....
- 9. Omdat er tijdens de les gekletst werd, konden sommige leerlingen zich slecht .....
- 10. Als ik naar bed ga, trek ik mijn ..... aan.
Down
- 2. Hij deed het niet per ongeluk maar ..... Dat was gemeen.
- 3. De hoofdstad van de ..... Gelderland is Arnhem.
- 5. Mijn ..... is paardrijden. Ik ben echt gek op paarden.
- 7. Als je medicijnen nodig hebt, ga je naar de .....
- 8. We hadden geen aansteker dus gebruikte ik ..... om de kaarsen aan te steken.
- 9. Met ...... en bakstenen metselde de bouwvakker een hoge muur.