les 10-11
Across
- 4. erg; zeer
- 6. rots
- 7. vriend, makker
- 9. leren kennen, begrijpen
- 12. zichzelf
- 15. maaltijd
- 16. onsterfelijk
- 19. rondom
- 20. hopen
- 21. voedsel
- 22. oorlog
Down
- 1. zijn
- 2. vanaf... naar beneden
- 3. macht hebben
- 5. waard, waardig
- 7. dicht bij
- 8. beste, zeer goed
- 10. weggaan
- 11. oud, van vroeger
- 13. einde
- 14. menen
- 15. slavin
- 17. onrechtvaardig
- 18. terugsturen
- 23. niet (bij imperativus