Nederlands oefenexamen

123456789101112131415
Across
  1. 3. Geloof in het noodlot, slechte afloop
  2. 6. doordrongen
  3. 7. uitstekend, voortreffelijk
  4. 9. Verenigen met, opnemen in
  5. 11. mensenhaat
  6. 13. Haimon was de zoon van Koning............
  7. 14. een grenslijn tussen 2 verschillende diaclectgebieden
  8. 15. Hij bestuurt nu niet de trein, maar zorgt voor de plaatsing en de wisseling van de decors
Down
  1. 1. Namiddagvoorstelling
  2. 2. Lode als hij een presentatie moet doen, hij is dan extreem zenuwachtig, hij is een .........
  3. 4. Drug
  4. 5. Revolutionaire greep naar de macht
  5. 8. 3e speler in het verhaal, speelt meestal de rol als bemiddelaar
  6. 10. De Griekse wijngod
  7. 12. De minister gebruikte sprak zijn................uit tegen die beslissing