oefenen maar!

123456789101112
Across
  1. 3. / De betogers waren met (*) vijfhonderd aanwezig.
  2. 4. / Hij (*) dat zij hem gekust heeft, ik geloof er niets van!
  3. 6. / De leerkracht moet (*) opmerkingen geven en is daarom slechtgezind.
  4. 10. / Ze haalde (*) cijfers, haar ouders mogen trots zijn!
  5. 12. / als je niets duidelijk antwoordt, moet je het op een andere manier (*)
Down
  1. 1. / woord dat een tegenstelling aanduidt
  2. 2. / Omdat
  3. 5. / Vaststellen
  4. 7. / Uitleggen wat iets is
  5. 8. / synoniem voor ‘ondervinden’
  6. 9. / Ik hou van toneelstukken die (*) zijn, kort maar krachtig !
  7. 11. / nog niet zo lang geleden