Onthoudwoorden reeks 4

12345678910111213
Across
  1. 1. De kat kan _____.
  2. 4. Die regelt het verkeer.
  3. 5. Aan de _____ kan je je warmen.
  4. 6. Wat je niet kookt of bakt, eet je _____.
  5. 7. De kip die legt het.
  6. 11. Ik schrijf mijn verjaardag op de _____.
  7. 12. Bij de kerk is er een _____.
  8. 13. De vijfde maand.
Down
  1. 1. Boetseren doen we met _____.
  2. 2. Ik kom niet te voet, niet met de fiets maar met de ____ naar school.
  3. 3. Ik ga graag stappen in de _____.
  4. 4. We waren met twee op stap. Op het einde waren we _____ moe.
  5. 8. Haal jij _____ uit de automaat?
  6. 9. Kan jij een _____ bewaren?
  7. 10. De koning woont in een _____.