o.v.t. regelmatig en onregelmatig

123456789101112
Across
  1. 2. Schoon water.......er niet, maar gekookt water.... veilig (zijn)
  2. 4. Haar moeder ......ons met ons huiswerk (helpen)
  3. 7. Tussen de middag ......we thee (drinken)
  4. 8. Als ik goede cijfers ......, was haar moeder blij (hebben)
  5. 9. Ik ....vroeger naast Janet. (wonen)
  6. 10. Vroeger ..... er nog geen koelkasten (zijn)
  7. 11. 's morgens ........ ze vaak een hostie, een stuk eetbaar papier van de kerk (krijgen)
  8. 12. In de middeleeuwen .......de mensen op fietsen met houten banden (fietsen)
Down
  1. 1. Ze ...... dat ze trots op me was (zeggen)
  2. 3. De kinderen ...... vroeger niks als ontbijt, dat kwam door de kerk (eten)
  3. 5. Na school .......ik met de zus en de moeder van Janet over school (praten)
  4. 6. De mensen.........vlees en vis (koken)
  5. 7. Ze .....er veel zout bij, zodat het eten langer goed bleef (doen)