Prepositions
Across
- 2. naar de andere kant gaan
- 3. lager dan iets maar boven de grond
- 4. door wie het gemaakt is
- 5. ergens binnenkomen
- 8. een specifieke tijd
- 9. weekdagen
- 10. door iets bedekt zijn
Down
- 1. van wie je iets krijgt
- 2. waar iets over gaat
- 3. hoe je reist
- 6. ergens opgaan
- 7. verleden tot nu