revision words unit 1
Across
- 3. snor
- 7. ruimte
- 8. beugel
- 10. puistje
- 11. ruiken
- 13. brug
- 14. kamperen
- 16. paardenstaart
- 17. best
- 19. veranderen
- 22. weg
- 23. gebruinde kleur
- 24. gespierd
- 27. sproeten
- 29. litteken
Down
- 1. ongewoon
- 2. vers
- 4. sinaasappel
- 5. uitstekend
- 6. verwijderen
- 9. zonsondergang
- 10. gewoon
- 11. pad
- 12. scheren
- 15. grens
- 18. omschrijven
- 20. lekker
- 21. kom
- 25. gebied
- 26. varkensvlees
- 28. knapperig