Samen

12345678910111213
Across
  1. 1. Dezelfde eigenschap hebben als iemand anders.
  2. 3. Samen met.
  3. 5. Het is ergens prettig en leuk. De mensen zijn aardig.
  4. 9. In je gedachten dingen aan elkaar verbinden.
  5. 10. Iemand heel erg leuk vinden.
  6. 11. De band tussen mensen. Bijvoorbeeld tussen mensen die verliefd op elkaar zijn.
  7. 13. Iemand niet mee laten doen met een spel, terwijl hij dat wel wil.
Down
  1. 2. Je sterk verbonden voelen met elkaar.
  2. 4. Grapjes.
  3. 6. Twee mensen die verliefd op elkaar zijn en veel met elkaar omgaan.
  4. 7. Iets aan iedereen laten zien omdat je er trots op bent.
  5. 8. Het grappige van iets.
  6. 12. Je kunt iets heel goed, zonder veel moeite te doen.