Schooltaalwoorden: les 1 en 2

12345678910111213141516171819202122232425
Across
  1. 3. Wat je doet met een formulier.
  2. 5. Een toets of een examen waarbij je moet zeggen wat het antwoord is.
  3. 7. Als iemand een vraag stelt, moet je ...
  4. 8. Je gebruikt het woord in een zin als je een reden geeft voor iets.
  5. 11. Niet precies.
  6. 14. Je kan ... dit eens proberen.
  7. 15. werkelijk?
  8. 17. Een toets waarbij je niet mag praten, je moet de antwoorden opschrijven.
  9. 18. Wat je altijd moet doen in de klas.
  10. 20. Een ander woord voor aanwijzen.
  11. 21. Zorgen dat een fout antwoord, verandert in een juist antwoord.
  12. 23. Wat je nodig hebt om een taak te maken zonder fouten.
  13. 24. Heel goed je best doen om goed Nederlands te praten dat is je taal ...
  14. 25. Een ander woord voor bladzijde.
Down
  1. 1. volledig
  2. 2. Als je niet weet wat er in de tekst staat die je leest, kan je het niet ...
  3. 4. Iets doen of iets maken.
  4. 6. Een streep trekken door ...
  5. 9. Ik ben het met je eens, ik ga ... met jou.
  6. 10. Je moet niet zomaar zeggen dat je dat niet kan, je moet het eerst ...
  7. 12. Wat al op papier staat nog eens opschrijven.
  8. 13. Wat ergens in zit, het hoeft geen ding te zijn.
  9. 16. Kijken naar iets.
  10. 19. Wat je doet als je meer dan één mogelijkheid hebt.
  11. 22. Wat heel gewoon is.