Spelling en Grammatica H1

12345678910111213141516171819202122232425
Across
  1. 4. voetpad (meervoud)
  2. 6. Rick lijkt niet erg onder de indruk van de boete (ow)
  3. 7. Mijn vader reed snel naar het dichtstbijzijnde benzinestation. (bn)
  4. 8. muilkorf (meervoud)
  5. 11. beantwoorden(vt enkelvoud)
  6. 14. oppassen (vdw)
  7. 16. Zet jij even de stoelen op de tafels? (lv)
  8. 19. slenteren (vdw)
  9. 21. Welke leerlingen uit deze klas eten 's ochtends een ontbijt? (vr. vnw)
  10. 22. gunnen (vdw)
  11. 24. landen (vt meervoud)
  12. 25. Het is belachelijk dat je niet in de tuin mag plassen. (lw)
Down
  1. 1. Gisteren ontmoette ik mijn grootste held. (bwb)
  2. 2. Thomas is bang dat hij zijn toets verprutst heeft. (pv)
  3. 3. topscoorder (meervoud)
  4. 5. calamiteiten (enkelvoud)
  5. 8. er een bn van
  6. 9. incidenten (enkelvoud)
  7. 10. religieus (maak er een bn van)
  8. 12. afbranden (maak er een bn van)
  9. 13. Dit foeilelijke schilderij vind ik maar niets. (aanw.vnw)
  10. 15. Nogal gepikeerd verdween zij uit het zicht.(bw)
  11. 17. lijken (vt enkelvoud)
  12. 18. vullen (maak er een bn van)
  13. 19. De grootte van de school is indrukwekkend. (zn)
  14. 20. Ik geef je met het grootste plezier een goed cijfer. (mv)
  15. 23. In de pauze zag ik de leerlingen van 2Mb bij elkaar zitten. (vz)