Spelling verenkelen/verdubbelen, verlengen en gt/cht

1234567891011
Across
  1. 2. Op straat om geld vragen aan voorbijgangers
  2. 7. Hier worden frieten van gemaakt
  3. 8. Als ik pijn heb aan mijn gebit ga ik naar de ...
  4. 10. Eerst rijd ik vooruit en dan ...
  5. 11. Niet duur maar ...
Down
  1. 1. Fruit en groenten zijn ...
  2. 3. Een zoon en een ...
  3. 4. Grote wagen waarin goederen worden vervoerd
  4. 5. Niet goed maar ...
  5. 6. 80
  6. 9. Iemand die op dieren jaagt