Spreekwoorden en uitdrukkingen

12345678910111213141516
Across
  1. 1. Zij sprong een .... in de lucht.
  2. 5. De prinses slaapt als een ....
  3. 6. De kinderen hangen aan zijn ....
  4. 7. Hij schrikt zich een ......
  5. 8. Hij kon er geen ... aan vast knopen.
  6. 9. We gaan de ..... buiten zetten.
  7. 13. Zij steekt de handen uit de ......
  8. 14. Hij liep op zijn dooie .... naar school.
  9. 16. Wie niet .... is, moet slim zijn.
Down
  1. 2. Hij moet een .... lager zingen.
  2. 3. Het verhaal ging als een lopend ..... rond.
  3. 4. Daar zal ik nog eens een .... over slapen.
  4. 5. Het ..... pijpenstelen.
  5. 10. Ze staat met haar mond vol ......
  6. 11. Ergens een ...... voor steken.
  7. 12. Dat heb je vast uit je .... gezogen.
  8. 15. De .... valt niet ver van de boom.