Taal en woordenschat H1, H2, H3

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Across
  1. 6. betrouwbaar, het tegenovergestelde van malafide
  2. 12. mikpunt
  3. 13. iets veranderen of bepalen hoe iets (of iemand) wordt
  4. 14. hekel, afkeer
  5. 16. bekendheid bij veel mensen, openbaarheid
  6. 17. luchtverversing
  7. 18. vochtig en koud
  8. 19. zwendel; oneerlijke handel
  9. 21. beeld dat mensen van iemand hebben
  10. 22. zoveel dat je er duizelig van wordt
  11. 25. sterk en stevig gebouwde
  12. 26. keer dat iemand zich vertoont
  13. 28. eigenschap; wat iets of iemand kan
  14. 32. vlies, dun huidje dat een afscheiding vormt
  15. 33. als je de goede kanten van mensen ziet en benadrukt
  16. 35. niet in staat zich te verdedigen
  17. 36. verschrikkelijke
Down
  1. 1. met slechte bedoelingen; het tegenovergestelde van bonafide
  2. 2. iemand die iets koopt
  3. 3. onveilig en griezelig
  4. 4. beseffen welke waarde het voor je heeft
  5. 5. wordt van (water-)damp tot vloeistof
  6. 7. alleen maar, niet meer dan
  7. 8. iemand goede ideeën geven, op allerlei gedachten gebracht worden
  8. 9. dreigende
  9. 10. iemand die iets tegen betaling bezorgt
  10. 11. gezegd van iemand die pas een bepaalde functie heeft gekregen
  11. 15. tekenen dat er iets gaat gebeuren of dat je iets moet doen
  12. 17. andere mogelijkheden
  13. 20. reden waarom je iets doet
  14. 23. zulke
  15. 24. plotseling opkomende en verdwijnende wind
  16. 27. alle kleren die je hebt
  17. 29. hoogste, uiterste
  18. 30. nauwelijks
  19. 31. belachelijk
  20. 34. leren houder voor een pistool of revolver