Taal woordenschat 8.1

1234567891011121314
Across
  1. 5. Hoeveel er voor iets betaald wordt. Het schilderij bracht €500,- euro op.
  2. 6. Heel erg, buitengewoon.
  3. 8. Als iets helemaal in orde is.
  4. 9. Proberen iets voor minder geld te krijgen dan er eerst gevraagd werd.
  5. 10. Stiekem lachen.
  6. 12. Een moment waarbij je plotseling iets denkt of doet.
  7. 13. Vol kracht en energie.
  8. 14. Slap en zonder energie.
Down
  1. 1. De woorden waarmee je vertelt hoe iets of iemand eruit ziet.
  2. 2. Als er aan een voorwerp iets ontbreekt of er is iets kapot, heeft het een mankement.
  3. 3. Het hoogste, het meeste.
  4. 4. Een papiertje dat je krijgt als je iets nieuws koopt. Er staat op dat je het nieuwe ding gratis kunt laten maken als het kapotgaat
  5. 7. Als iets niet meer werkt of stuk is.
  6. 11. Kil en koel (als het over een persoon gaat).