Taalverhaal - Hoofdstuk 10

12345678910111213141516171819202122232425
Across
  1. 5. Beste
  2. 8. De woorden waarmee je laat merken dat je ontevreden bent
  3. 10. De ontvangstbalie waar de gast zich bij aankomst meldt
  4. 11. Stoel waarvan de zitting kan worden opgeklapt, waardoor de stoel minder ruimte inneemt
  5. 12. Onrustig bewegen
  6. 14. Deel van een kasteel
  7. 15. Bespreken
  8. 17. Iets gaan doen
  9. 19. Zorgen dat iets niet meer bestaat
  10. 20. Mee laten tellen
  11. 22. De reden om iets te doen
  12. 23. Test om uit te zoeken of iets of iemand voldoet aan bepaalde voorwaarden
  13. 24. Planten die groeien waar je niet wilt dat ze groeien
  14. 25. Plant met veel bloemen, voor binnen en buiten
Down
  1. 1. Vernederende toestand
  2. 2. Echt en zuiver
  3. 3. Vinden
  4. 4. Gas dat in de lucht zit en dat nodig is voor de ademhaling
  5. 6. Ruimte in een gebouw waar je moet wachten, bijvoorbeeld bij de dokter
  6. 7. Waarnemen
  7. 9. Kamer
  8. 12. Dikke, vette rook of damp
  9. 13. Stoet
  10. 14. Pak van een soepele stof om in te sporten, bijvoorbeeld joggen, dat vaak ook als vrijetijdskleding wordt gedragen
  11. 16. Apparaat om de stand van het gebit te corrigeren
  12. 18. Laten zien
  13. 21. Snelheid gelijk blijven met iemand of iets anders