Tekstbegrip

123456789101112131415161718192021222324
Across
  1. 3. Middenstuk van de tekst.
  2. 4. Wekken van de belangstelling van de lezer en introductie van het onderwerp.
  3. 6. De schrijver wil de lezer vermaken. Welk tekstdoel hoort daarbij?
  4. 8. Waar de tekst over gaat.
  5. 9. Ander woord voor 'belangrijkste informatie'.
  6. 10. Welk verband geven signaalwoorden als: zo, bijvoorbeeld, zoals'?
  7. 12. Iets wat iemand vindt. Je kan het ermee eens of oneens zijn.
  8. 13. De schrijver wil dat de lezer iets gaat doen. Welk tekstdoel hoort daarbij?
  9. 14. Iets wat waar is en wat je kunt controleren.
  10. 16. Ander woord voor plaatje.
  11. 17. Welk verband geven signaalwoorden als: 'dus, daarom, dat houdt in'?
  12. 18. Welk verband geven signaalwoorden als: 'maar, echter, toch, terwijl'?
  13. 19. De samenvatting van de tekst in een zin.
  14. 21. Ik wil weten waar een tekst over gaat. Hoe lees ik?
  15. 22. Wat wil de schrijver met de tekst bereiken?
  16. 24. Ik heb een vraag en zoek het antwoord in de tekst. Hoe lees ik?
Down
  1. 1. Ik wil snel de belangrijkste informatie uit de tekst halen. Hoe lees ik?
  2. 2. Waar de tekst vandaan komt.
  3. 4. Ik wil alles of een deel van de tekst goed begrijpen. Hoe lees ik?
  4. 5. Hiermee ondersteun je je mening.
  5. 7. Welk verband geven signaalwoorden als: 'en, ook, tevens'?
  6. 8. De schrijver wil dat de lezer hetzelfde standpunt heeft als hij. Welk tekstdoel hoort daarbij?
  7. 11. De schrijver wil dat de lezer iets te weten komt. Welk tekstdoel hoort daarbij?
  8. 15. Goed opletten! Hier wordt een teken gegeven dat er een verband is tussen twee dingen in de tekst.
  9. 20. Samenvatting of conculusie van het belangrijkste uit de tekst.
  10. 23. Hier staat de belangrijkste informatie van de alinea in.