Test 2.1

12345678910111213
Across
  1. 3. Je kan erop typen.
  2. 4. Een bericht met een fout.
  3. 5. De batterij van mijn gsm is leeg. Ik wil mijn gsm opladen. Ik steek de oplader in het ….
  4. 8. Niet knippen of kopiëren, maar ....
  5. 11. Windows, Linux, iOS
  6. 12. Ik steek een HDMI- ….. in de computer.
  7. 13. Op het internet gaan.
Down
  1. 1. Apparaat dat documenten afdrukt.
  2. 2. Je gebruikt het om naar muziek te luisteren. Het zijn niet de oortjes.
  3. 6. De vuilnisbak van de computer.
  4. 7. Deleten
  5. 9. Geef de infinitief van het verbum: Ik start een computer. Ik ... een computer ...
  6. 10. Zowel een dier als een computeronderdeel.