Thema 1 - week 2

1234567891011121314
Across
  1. 3. Een stuk land, we noemen het ook wel een gebied.
  2. 9. Iemand die op de weg rijdt of loopt.
  3. 11. Langzaam rijden, je gaat niet veel harder dan iemand die loopt.
  4. 12. Daarna.
  5. 13. Een overdekte plaats waar je fietsen en brommers veilig kunt neerzetten.
  6. 14. Een voertuig dat wordt getrokken door paarden.
Down
  1. 1. Je vervoert hiermee mensen of dingen.
  2. 2. Een auto die je gebruikt om spullen mee te vervoeren.
  3. 4. Maar.
  4. 5. Toevallig ergens terechtkomen.
  5. 6. Een vrachtwagen.
  6. 7. De motor harder laten werken zodat je harder kunt rijden.
  7. 8. Heel snel, bliksemsnel.
  8. 10. Je bent onderweg, je komt er binnenkort aan.