Thema 2 - week 3

12345678910111213
Across
  1. 5. Iets wat je kunt zien.
  2. 7. Vreselijk, akelig.
  3. 8. Heel erg bang.
  4. 10. Tenminste.
  5. 12. Het verschil zien tussen twee dingen.
  6. 13. Een apparaat waarmee je kleine dingen heel erg kunt vergroten zodat je ze beter kunt bekijken.
Down
  1. 1. Kleine, doorzichtige rondjes die je op je ogen doet om beter te kunnen zien.
  2. 2. Bibberen van angst.
  3. 3. Het grapje.
  4. 4. Als je iets onduidelijk ziet.
  5. 6. Het botje in je neus dat tussen de twee neusgaten zit.
  6. 9. Als je iets heel duidelijk ziet.
  7. 11. Een bol glas waardoor je kleine dingen een beetje kunt vergroten.