tim

123456789
Across
  1. 1. ze is bang maar wordt steeds minder bang
  2. 4. dit is een niet fietse meester
  3. 5. deze schoenen wil je graag
  4. 6. dit doe je graag
  5. 8. dit moet je voor school doen
  6. 9. zij geeft je les op de andere school
Down
  1. 2. wat is de kleur van de fiets van je beste vriend
  2. 3. dit moet je een keer per week doen
  3. 4. hij woont in Loosdrecht
  4. 7. dit is je lievelingswinkel