Unidad 7,9 y 10 en Español

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334
Across
  1. 3. Zoete substantie voor in de thee/koffie
  2. 8. Toen
  3. 10. Eten in de ochtend
  4. 11. Drinkbare vloeistof, meestal van vruchten
  5. 12. naar een ander huis gaan
  6. 14. Tijdens
  7. 15. Thee gemaakt van kruiden
  8. 17. De dag voor gisteren
  9. 19. De dag voor vandaag
  10. 20. Lach zonder geluid
  11. 21. Je kan er deuren en sloten mee openen
  12. 22. lunch
  13. 26. Gerecht na hoofdgerecht
  14. 29. Ergens mee starten
  15. 31. Een soort vis, heek
  16. 33. machine die de was doet
Down
  1. 1. Iets waaraan je eet
  2. 2. De maand na februari
  3. 4. Eten wat wordt gegeten in de middag
  4. 5. Gerecht tussen het voor- en nagerecht
  5. 6. Geleden
  6. 7. Briefje waar het totaalbedrag opstaat
  7. 9. Onmiddelijk
  8. 10. vergeetachtig en verward
  9. 13. Wordt gezegd als bestelling wordt gegeven
  10. 15. vertrokken
  11. 16. Iets opgeven aan de ober
  12. 18. Iets kwijt raken
  13. 23. Een vieruurtje eten
  14. 24. Iets krijgen per mail of per post
  15. 25. Iets zien wat kwijt was
  16. 27. 100 jaar
  17. 28. Werkwoord voor naarbinnen krijgen van een drankje
  18. 30. ceremonie voor twee mensen die de rest van hun leven met elkaar willen delen
  19. 32. veel moeite
  20. 34. Saus gemaakt van knoflook