unit 1
Across
- 4. onderscheiden, waarnemen, bespeuren
- 6. moedig
- 9. (n) overleving
- 12. metkortemouwen
- 13. up naarvorenkomen, actie ondernemen
- 14. de agenda bepalen
- 15. een kar
- 18. zichschrapzetten
- 19. iets klaarspelen
- 20. (je nek) strekken
- 22. overleven
- 23. wezenloos
Down
- 1. giechelen
- 2. spannen, forceren
- 3. war burgeroorlog
- 5. uitdagen
- 7. veeleisend, kritisch, scherpzinnig
- 8. onderdrukken
- 10. broeikaseffect
- 11. duiken
- 12. onderwerp, vak
- 16. uitdagend
- 17. jeschoudersophalen
- 21. glijden in
- 23. opspringen (stuiteren, kaatsen)