unité 28 & 29
Across
- 1. koffie
- 4. onze
- 5. melk
- 8. verkopen
- 13. vragen
- 16. chocolade
- 17. een boterham
- 18. nagerecht
- 20. ongelukkig
- 23. zonder
- 24. zin (hebben in iets)
- 25. brood
- 26. een zieke
- 29. wijn
- 30. menu
- 31. wachten
- 32. limonade
- 33. vinden
- 34. stokbrood
- 37. een kopje
- 38. bier
Down
- 2. een keer
- 3. het vlees
- 4. ons
- 6. leggen
- 7. een bril
- 9. misschien
- 10. gelukkig
- 11. cola
- 12. wat
- 14. drinken
- 15. gedaan
- 19. croissant
- 21. honger
- 22. dorst
- 25. waarom
- 27. hun (enkelvoud)
- 28. horen
- 29. glas
- 33. thee
- 35. de tijd
- 36. hun (meervoud)